Heel lang geleden hadden de mensen geen wetten. Ieder deed gewoon wat hij of zij zelf goed vond. God zag, dat het zo niet goed was en besloot de mensen zíjn wet te geven. Maar God wilde de mensen zijn wet niet opdringen, ze moesten het zelf willen. Aan een wet die je opgedrongen wordt, heb je niets, vond God. Eigenlijk vond God 'wet' ook niet zo'n mooi woord, het klonk zo verplicht, alsof er alleen maar dingen in staan, die móeten.
Gods wet was meer een hulpmiddel,
of een richtingaanwijzer,
of een hekje langs de afgrond -
zoiets, iets waar je wat aan hébt.
Om te beginnen vroeg God aan de kinderen van Esau, de Edomieten, of ze zijn wet wilden hebben. "Misschien wel", antwoordden ze, "hangt er vanaf, wat er in staat."
"Nou, bijvoorbeeld; sla niemand dood,"vertelde God. Maar zo'n wet wilden de Edomieten niet. "O nee!" riepen ze hard, "dat is niets voor ons, wij leven van het zwaard." En God ging verder met zijn wet. Dan niet, dacht hij.
God kwam bij de Moabieten en de Ammonieten en vroeg of zíj zijn wet wilden hebben.
"Wat staat daar allemaal in?" vroegen de Ammonieten en de Moabieten. 'Blijf trouw aan de mensen van wie je houdt, bijvoorbeeld," zei God. "O nee, dan kunnen we uw wet niet aanvaarden," antwoordden ze. "Onze eigen vader en moeder waren ontrouw aan elkaar."
Daarna ging God naar de Jismaëlieten. 'Willen jullie soms mijn wet?" vroeg Hij. 'Wat staat erin," vroegen ze wantrouwig. 'En eh.... het is toch wel gratis he?"
"Er staat bijvoorbeeld in: steel niet," vertelde God. En ook de Jismaëlieten zagen ervan af. Daar konden ze niet aan beginnen.
Zo ging God alle zeventig volkeren langs, die er op aarde woonden en geen van allen wilden ze zijn wet.
Toen kwam God bij het laatste volkje, Israël. Het was een volkje van niks, het was eigenlijk niet meer dan een troepje uit Egypte ontsnapte slaven, dat een beetje doelloos door de woestijn zwief. 'Willen jullie mijn wet soms, " vroeg God een beetje aarzelend na alle afwijzingen. En zonder één vraag of bedenking antwoordde Israël: 'Graag, wat er ook in staat! En we zullen alles zo goed mogelijk doen."
Opgetogen en vrolijk zei God: "Kom dan met zijn allen naar de berg Sinaï, dan maken we er een groot feest van. En op de top van die berg geef ik Mozes, jullie leider, mijn wet."
Zo kreeg Israël de wet. En elk jaar opnieuw vieren ze datzelfde feest.
****
Het was trouwens nog wel even een gedrang, daar bij de Sinaï. Weliswaar wilden de volkeren de wet niet hebben, alle bergen wilden wél heel graag, dat God op hun rug de wet aan Israël gaf. Zodra God tegen het volk Israël had gezegd, "kom naar de berg", gingen alle bergen op een holletje die kant uit. Hijgend arriveerde de één na de ander en ze begonnen ruzie te maken en te schreeuwen: "Ik ben geroepen!" "Nee ik!" "Hou je lelijke rotskop", riep de Karmel tegen de Tabor. "Mispunt", schold de Tabor terug. Het was een gekrakeel van jewelste. Ze gooiden zand naar elkaar en soms zelfs hele rotsblokken.
Toen kwam God erbij en eindelijk werd het stil. God keek de bergen één voor één aan en zei toen: op al jullie bultruggen staat al een altaar voor een andere god. Daar wil ik niet naast komen staan. Alleen de top van de Sinaï is nog leeg, dus die kies ik." En teleurgesteld dropen de andere bergen af.
Uit: Als een lamp voor onze voeten - verhalen bij joodse feestdagen
In deze tijd vieren de joden en veel andere mensen het Shavuot feest, (of Sjawoeot) in principe een oogstfeest, maar ook wordt met vreugde het verkrijgen (gave) van de Tora (wet) herdacht.
Vaak wordt uit het boek Ruth gelezen tijdens dit feest, waarschijnlijk omdat dit verhaal zich afspeelt in de oogsttijd.
Dat deed me weer denken aan dat mooie liedje wat ik vroeger op school leerde, en wat ik nog af en toe zing, over Ruth's keus:
Waar gij henen gaat, daar heen ga ik met u, uw volk is mijn volk, uw land is mijn land!
In zijn naam gaan wij saâm, hopend op zijn zegen.
Waar gij henen gaat, daar heen ga ik met u, uw huis is mijn huis, uw God is mijn God!
In zijn naam gaan wij saâm, hopend op zijn zegen.
Een aantal weken geleden hebben we ook weer een sedermaaltijd gevierd, net als vorig jaar.
Het weekend daarvoor hebben we ook in onze gemeente (voor het eerst) een sedermaaltijd gehouden.
Wel bijzonder en anders om dat zo met een grote groep (ik denk dat er wel rond de 50 mensen waren) te doen. Er waren veel positieve reacties, met name ook over de diepere betekenissen die erin verweven zitten.
Pas zag Loïs een bosje peterselie in de winkel en zei ze: 'Kijk mam, daar heb je dat groene spul wat je dan in het zout water moet dopen, en op moet eten, weet je nog?' ;-)
En toen ze op Koninginnedag een schoolontbijt had, waar allemaal bakjes op tafel stonden met broodsmeersels erin, en ik zei: 'He, wat zou hier nou in zitten Loïs?', keek ze even en zei meteen; 'O, dat zijn de bittere kruiden denk ik'. Toen ik ging lachen, keek ze nog een keer en zei toen: 'Oh, nee, het is pindakaas!' ;-)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten