zaterdag 22 februari 2020

Reisdag en veel gedachten....

Vanmorgen na het ontbijt gingen we uitchecken; alle koffers weer in de bus.
Daarna werden we boven in de zaal verwacht voor de start van de dag.
Tiemen Westerduin is mee met de reis, en hij las met ons uit Deuternomium 14, vanaf vers 22 verteld God aan Zijn volk Israël over het geven van de tienden van wat God je heeft gegeven. Ik kende dat stuk wel, en die wetten. Maar het was een tijd geleden dat ik daarover had gelezen.
Tiemen schreef het uit:

1ste jaar: mochten ze met het tiende deel van hun inkomen een feest(maaltijd) houden met hun familie, ter ere van God.
2de jaar: hetzelfde verhaal; een feest met de familie, in de nabijheid van de Heer.
3e jaar: nam je het tiende deel van je inkomsten, en gaf dat weg, dat werd gebruikt om de armen, de behoeftigen en de vreemdeling te voorzien. Maar ook voor de Levieten (priesters) die geen land/inkomen hadden.
4e jaar: weer feest, net als in jaar 1 en 2.
5e jaar: weer feest, net als in jaar 1, 2 en 4.
6e jaar: gaf je weer het tiende deel van je inkomsten weg, ten behoeve van de armen, behoeftigen en de vreemdelingen en de Levieten.
7e jaar: moest je je volksgenoten, die iets van je geleend hadden, hun schuld kwijtschelden. Ook was het 7e jaar, een jaar van rust. Ze mochten het land niet bewerken, niet snoeien, niet zaaien. Wat er op kwam, mochten ze van eten. Maar ook de andere mensen, de vreemdelingen en de dieren, mochten er van eten.
Ze hoefden niet bang te zijn te kort te komen in dat jaar, want God beloofde in het 6e jaar, een drievoudige oogst te geven, als ze volgens zijn richtlijnen zouden leven. 

Dus het 7e jaar, was jouw bezit, je land, even niet van jou, iedereen mocht er van eten, zoveel als ze wilden. Daarmee wilde God hen er steeds aan herinneren dat alles wat je hebt, niet van jou is. Het is van God. Je mag er van genieten, maar daarbij mag je niet uit het oog verliezen van Wie je alles hebt gekregen, wie alles eigenlijk toebehoort; de Eeuwige.
God wil voor zijn hele schepping zorgen, er is genoeg voor iedereen. 
Als we delen op de manier die God ons heeft geleerd.

Toen we in de bus zaten had ik veel tijd om er over na te denken. Allerlei beelden kwamen samen.... die van bovenstaand verhaal...en van de blije tieners in het project, die zoveel van God uitstraalden. Patrick, Aidah, Wasswa en Mercy die gister hun tijd en mijn aandacht met elkaar deelden, zonder een spoor van jaloezie of onenigheid. Wasswa ruimde de borden op, zette m'n stoel klaar en de kinderen hielpen elkaar.
Ik worstelde met gevoelens van 'tekortschieten', als ik nadacht over gister, ik had dingen (anders) willen doen, meer willen zeggen...
Ik probeerde m'n gedachten om te zetten, door aan alle dingen te denken die we samen hadden gedaan, dat nu zulke mooie herinneringen zijn.


Inmiddels reden we Kampala uit. Het landschap werd groener. Langs de kant van de weg zag ik elke keer huisjes staan, en er kwamen er steeds meer bij met een rieten dak. Overal zag je mensen lopen...bezig zijn...op het land werken, spullen sjouwen, op hun kleedje zitten of achter hun kraampje, met kleding of fruit/groenten erop uitgestald. Ze doen zo hun best, en het is zelden genoeg om van te leven.
Het greep me aan toen ik me weer bedacht; er is genoeg voor iedereen. Als we zouden delen, zoals God het ons heeft voorgesteld.

Maar wat me nog het meest ontroerd is hoe Gods hart, Zijn intenties zichtbaar worden in wat Hij zijn volk opdraagt. God wilde dat Israël tot voorbeeld voor de wereld zou zijn, als een olievlek. God wil graag dat Zijn schepping floreert, Hij als Schepper, weet het beste hoe dat zou kunnen, en daarom geeft Hij deze voorschriften als opdracht. Niet om ons beperken (daar denken wij vaak aan bij het woord 'wet') maar zodat alles en iedereen op aarde zou floreren.

God zorgt voor de rijken (Hij zegent hen) en zegt dat ze mogen genieten van wat ze hebben. Rijk zijn is niet een slecht iets. Maar het geeft je wel een grote(re) verantwoordelijkheid.
God zorgt voor de armen, de vreemdeling en de behoeftigen. Zelfs de dieren en de schepping (het 7e jaar) zijn in deze leefregels opgenomen.

Ik moest denken aan wat ik eens ergens las: een jongen in een Indiase sloppenwijk werd uitgelachen door zijn vrienden; 'jij gelooft in God, maar je bent nog steeds arm. Hij is je vergeten!'
'God is mij niet vergeten', antwoordde de jongen. 'De mensen aan wie Hij alles heeft gegeven, zijn vergeten het te delen...'

Maar we zijn nu zoveel jaar verder, zoveel jaar nadat die woorden in Deuteronomium zijn geschreven. Vaak denken we dat die wetten achterhaald zijn, 'dat geldt nu niet meer, het is nu anders we leven nu na het Nieuwe testament'. 
Ik denk dat wat God toen goed voor ons vond, dat nog steeds het beste is.
En ik realiseer me hoever onze maatschappij daarvan afstaat...
 Erger.... hoever het van mijn hart afstaat...
 
Ik keek naar buiten en de tranen sprongen in m'n ogen, ik zou  onder het rode Afrikaanse zand willen kruipen van schaamte tegenover God. En ik heb geen idee meer waar mijn verantwoordelijkheid begint, en waar die eindigt....
 

Ondertussen rijden we uren over de hobbelige zandwegen. We komen bij de Murchison Falls (waterval), en gaan uit de bus om even te kijken. Het is prachtig indrukwekkend. Wat een kracht heeft het water. Het laat me Zijn grootheid en macht zien. Het water spat op bij het naar beneden storten, en ik word helemaal nat, even lekker afkoelen.

We rijden verder en als we bijna bij de pont zijn, die ons over de Nijl zal brengen begint het te stortregenen. De bui duurt zo'n 3 kwartier, en de pont blijft liggen waar hij ligt. Na een uur rijdt de bus (dat ging nog niet zo makkelijk) de pont op, en komen we aan bij het hotel.

Uitrusten. Morgen is het zondag, dan gaan we voor het eerst een Afrikaanse kerkdienst beleven!